9. jan, 2016

Theorie en praktijk

Ik heb een erg drukke week achter de rug. Afgelopen maandag weer begonnen met werken en dan moet je weer een tandje bijschakelen. Het is net alsof je weer moet inkorven ineens voor Heino. Ook dat is voor mij altijd een moment waar ik ineens wakker schrik en het werkelijkheid wordt dat je weer op vrijdag naar het lokaal moet om in te korven en dat weer wekelijks. De verzorging moet weer optimaal, goed voeren, trainingsschema maken, voederschema’s etc. etc. Altijd weer een moment van opleving voor mij, een moment dat je weer lekker op zaterdag gaat genieten van de thuiskomsten van je duiven. Dit jaar heb ik weer een aardige ploeg duiven die het moeten gaan doen voor mij. Zal toch op een 70-75 vliegers komen op de eerste vitesse vluchten. Vanaf de eerste vluchten is het dan altijd genieten met soms wel een tiental duiven in de lucht, prachtig. Geen druk of stress om snel naar binnen te moeten, gewoon rustig thuiskomen. De baas is rustig en de duiven ook. Er wordt toch niet geklokt op deze vluchten, de duiven worden als trainingsduiven gespeeld en dan is het heerlijk dat je niet weg hoeft op zaterdag naar de club. Kan ik lekker bij mijn gezin blijven. Prijsvliegen doen mijn overnachters toch niet, mijn vader heeft ze vaak allemaal al thuis en dan moet ik nog beginnen. Ik ben wel een verenigingsman, begrijp me niet verkeerd, maar mijn gezin staat bovenaan het lijstje.

Ik wil het toch nog hebben over theorie en praktijk. Ik zal u vertellen dat ik de meeste dingen doe binnen mijn duivenkolonie op basis van ervaring, kortom op basis van de praktijkervaring. Ik lees me daarnaast in op allerlei theorieën en de meeste kunnen me geen biet schelen. Waarom? Omdat ik het bij mezelf anders ervaar. Daarnaast vind ik van mezelf dat ik weinig weet van een duif. Ik probeer altijd een slimheid te ontdekken in gedrag, dit doe ik op basis van mijn ervaring. Ik zal u een voorbeeld geven. Ik let er altijd op welke duiven ik als laatste drie pak tijdens het lappen of inkorven. Dit doe ik al mijn hele leven. Deze duiven sla ik op en als het vaker voorkomt dat ik ze als laatste pak onthoud ik dat erg goed en schrijf het zelfs op. Dit zijn vaak de wat slimmere duiven, duiven die niet graag gepakt worden en in een mand gezet worden, want dan moeten we weer een stuk vliegen en zit ik bovendien minder ruim dan in mijn knusse nestbak of zitschapje. “Dirk” ben ik bijvoorbeeld regelmatig kwijt geweest tijdens het inkorven. Had hij een plekje gevonden achter de nestbakken waar ik hem nooit kon zien, daar hou ik van. Mochten dit soort voorvallen vaker voorkomen kun je daar een theoretische kennis van maken voor anderen en dat noem ik nou nuttige theoretische kennis die je dan zelf moet gaan toetsen op je eigen vliegploeg. Zoals Ad Scharlaekens zegt dat je nog geen goede visser bent als je alle theorie hebt gelezen over vissen, je moet praktijkervaring opdoen en dan kun je toetsen of je kennis klopt en kun je uitgroeien tot een goede visser. Zo is het ook met duiven en dat probeer ik vast te houden. Daarom laat ik mijn duiven ook beoordelen, om te kijken of de beoordelingen kloppen in de praktijk. Vijf jaar proberen en je conclusies trekken. Ogentheorie idem en toetsen of het klopt. Dit is natuurlijk al zo oud als de weg naar Rome, maar het werkt voor mij en daar gaat het om. We moeten allemaal een soort wetenschappertjes worden in onze eigen vlieg en –kweekploeg. Succes en tot volgende week!